Duurzaamheidsinformatie

Stichting Pensioenfonds voor Fysiotherapeuten (SPF), hierna ‘Pensioenregeling’, belegt in één of meerdere beleggingsinstellingen en -mandaten die ecologische of sociale kenmerken promoten. Hiermee classificeert deze Pensioenregeling als artikel 8 onder SFDR. Meer duurzaamheidsinformatie over de Pensioenregeling vindt u in deze 12 rubrieken.

Stichting Pensioenfonds voor Fysiotherapeuten (SPF), hierna ‘Pensioenregeling’, belegt in één of meerdere beleggingsinstellingen en -mandaten die ecologische of sociale kenmerken promoten. Hiermee classificeert deze Pensioenregeling als artikel 8 onder SFDR. Meer duurzaamheidsinformatie over de Pensioenregeling is te vinden per rubriek.

Geen duurzame beleggingsdoelstelling
De Pensioenregeling als geheel promoot ecologische of sociale kenmerken, maar heeft geen duurzame beleggingsdoelstelling. Een klein aandeel van de beleggingen van het pensioenfonds heeft echter wel een duurzame doelstelling. Binnen de duurzame beleggingen wordt er geen significante schade toegebracht aan andere milieudoelstellingen. De Pensioenregeling houdt via de MVB-instrumenten (het uitsluitingsbeleid, ESG-integratie, doelinvesteringen en engagement) rekening met de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren.

Ecologische of sociale kenmerken van het financiële product
De ecologische en/of sociale kenmerken van de Pensioenregeling zijn:

• ESG-integratie

• CO2-reductie

• Uitsluitingsbeleid

• Doelinvesteringen in Green Bonds

Beleggingsstrategie
De beleggingsstrategie van het Pensioenfonds is vastgelegd in de Verklaring beleggingsbeginselen (pdf). Zie ook de Investment beliefs (pdf) waarin de beleggingsovertuigingen zijn uitgewerkt’.

De Pensioenregeling hanteert een beleid om te zorgen dat wordt belegd in ondernemingen die voldoen aan de praktijken van goed bestuur (‘good governance’).

Aandeel beleggingen
Minimaal 41,45% van de beleggingen zal behoren tot de categorie #1 In lijn met E/S-kenmerken. Maximaal 58,55% van de beleggingen zal in de categorie #2 Overig vallen en bestaat uit onder andere cash en geldmarktinstrumenten. De #1-beleggingen houden geen rekening met de EU-taxonomiecriteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten (Categorie #1A). Voor meer informatie over categorisering, zie de rubriek ‘Aandeel beleggingen’’.

Monitoring van ecologische of sociale kenmerken
Om te bepalen of de Pensioenregeling voldoet aan de ecologische of sociale kenmerken, wordt per kenmerk gekeken naar een relevante duurzaamheidsindicator. Per kenmerk wordt zo gemeten of aan de gepromote ecologische of sociale kenmerken wordt voldaan. De monitoring vindt plaats over de volledige levensduur van de Pensioenregeling. Voor meer informatie over de duurzaamheidsindicatoren zie de rubriek ‘Monitoring van ecologische of sociale kenmerken’’.

Methodologieën
Om te meten hoe de Pensioenregeling de gepromote ecologische of sociale kenmerken behaalt, is per kenmerk een uitgebreide methodologie opgesteld. Voor iedere methodologie vinden vanuit gevalideerde databronnen door middel van externe raamwerken de metingen plaats. Voor meer informatie over de methodologieën: zie de rubriek ‘Methodologieën’.

Databronnen en -verwerking
De Pensioenregeling gebruikt externe gegevens als input voor onze duurzame beleggingsprocessen. Onze voorkeur gaat uit naar gestandaardiseerde gegevens waar mogelijk, zoals gegevens van onafhankelijke onderzoeksbureaus ISS ESG en MSCI. De gegevens van de geselecteerde externe onafhankelijke onderzoeksbureaus (dataproviders) zijn in de meeste gevallen leidend bij het toepassen van het uitsluitingsbeleid en de ESG-integratie. Onze ESG-dienstverlener onderzoekt de gegevenskwaliteit van elke dataprovider tijdens de due diligence beoordelingen in het selectieproces van de dataprovider.

Methodologische en databeperkingen
Het Pensioenfonds kent enkele beperkingen aan de gehanteerde methodologie en gegevensverwerking:

• Beperkingen aan de gegevens voor uitsluitingen gericht op controversiële producten en normschendingen.

• Beperkingen aan CO2-gegevens.

• Beperkingen aan ESG-ratings.

De methodologische en databeperkingen worden verder toegelicht in de rubriek ‘Methodologische en databeperkingen’.

Due diligence
Due diligence is er op gericht om de belangrijkste ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren vast te stellen, te prioriteren en analyseren. Dit betreft de negatieve impact voor de samenleving en het milieu in zowel de beleggingsportefeuille als bij potentiële beleggingen. De ESG-dienstverlener doorloopt periodiek een screening van bedrijven op het schenden van de daarin genoemde internationale normen. Dit proces wordt het due diligence proces genoemd. Het due diligence proces wordt doorlopen om de belangrijkste ongunstige effecten van de beleggingen op duurzaamheidsfactoren vast te stellen en te prioriteren, met als doel ze te voorkomen en te verminderen alsmede om verantwoording af te leggen over hoe de Pensioenregeling omgaat met de geïdentificeerde effecten.

Engagementbeleid
Namens de Pensioenregeling wordt met ondernemingen die binnen de scope van het engagementbeleid vallen de dialoog gevoerd. Daarnaast maakt de Pensioenregeling actief gebruik van haar aandeelhoudersrechten om langetermijnwaardecreatie te bevorderen bij de ondernemingen waarin de Pensioenregeling namens klanten belegt (stemmen). Daarbij besteedt de Pensioenregeling aandacht aan de strategie, duurzaamheid en corporate governance van ondernemingen. De Pensioenregeling voert specifiek normatieve engagement uit.

Aangewezen referentiebenchmark
Op het niveau van de pensioenregeling gebruikt de Pensioenregeling geen alomvattende referentie benchmark. Deze rubriek is daardoor niet van toepassing op de Pensioenregeling.

De Pensioenregeling als geheel promoot ecologische of sociale kenmerken, maar heeft geen duurzame beleggingsdoelstelling. Een klein aandeel van de beleggingen van het pensioenfonds heeft echter wel een duurzame doelstelling. Binnen de duurzame beleggingen wordt er geen significante schade toegebracht aan andere milieudoelstellingen.

Onze ESG-dienstverlener gebruikt een eigen onafhankelijk raamwerk om te beoordelen of green bonds in de Pensioenregeling voldoen aan de definitie van ‘duurzame beleggingen’ volgens de SFDR en de kwaliteits- en duurzaamheidscriteria. Dit beoordelingsraamwerk is gebaseerd op de Green Bond Principles van de International Capital Market Association en de taxonomie van het Climate Bonds Initiative. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren, want zowel de PAI indicatoren als de internationale richtlijnen worden in acht genomen.

Aan de hand van de MVB-instrumenten uitsluiten, engagement en ESG-integratie wordt rekening gehouden met de PAI-indicatoren en de internationale richtlijnen. Dat staat in deze tabel:

Belangrijkste ongunstige effecten (PAI-indicatoren) Toepassing Duurzaamheidsindicator gebruikt door pensioenfonds Relevante beleggingscategorie
CO2-voetafdruk van ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd ESG-integratie CO/ EVIC Aandelen ontwikkelde markten, bedrijfsobligaties (mandaten)
Blootstelling aan ondernemingen die actief zijn in de fossiele brandstofsector Uitsluiten Betrokkenheid bij kolen en teerzanden, schalieolie en -gas, arctische olie en-gas met een omzetgrens van >5% Aandelen, bedrijfsobligaties (mandaten)
Blootstelling aan controversiële wapens Uitsluiten Betrokkenheid bij producenten van controversiële wapens Aandelen, bedrijfsobligaties (mandaten)
Schendingen van UN Global Compact, OESO Richtlijnen voor multinationale ondernemingen en UN Guiding Principles on Business and Human Rights Uitsluiten
Normatieve engagement
Betrokkenheid bij bedrijven die internationale normen schenden
Aandelen, bedrijfsobligaties (mandaten)
Landen waarin is belegd met schendingen van sociale rechten Uitsluiten Betrokkenheid bij landen waarin schendingen plaatsvinden op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten en corruptie Staatsobligaties, EMD

Deze Pensioenregeling promoot de volgende ecologische of sociale kenmerken:

• ESG-integratie
Deze Pensioenregeling integreert, waar relevant, op structurele wijze ESG-risico's en ESG-factoren in het beleggingsproces. De Pensioenregeling streeft naar een portefeuille waarvan het ESG-profiel beter is dan dat van de benchmark.

De Pensioenregeling past bij het beheer van Aandelen Ontwikkelde Markten ESG-screened een best-in-class benadering toe. Bedrijven met een ESG-rating B of CCC worden uitgesloten van belegging. Daarbij wordt als prestatiedoelstelling opgenomen dat er minimaal een 15% betere ESG-score is op portefeuilleniveau dan de MSCI World, met als restrictie dat de individuele scores op E, S en G ten minste gelijk zijn aan de benchmark.

• CO2-reductie
De CO2-voetafdruk van de portefeuille wordt vergeleken met die van de benchmark. Daarbij heeft de bedrijfsobligatieportefeuille als doelstelling de CO2-voetafdruk te verkleinen: in 2030 moet deze tenminste 50% lager zijn dan die van de benchmark in 2020. Om dit te realiseren worden de broeikasgasemissies in één keer met 30% verlaagd en daarna tot 2030 jaarlijks met gemiddeld 7%. De langetermijndoelstelling is een klimaatneutrale portefeuille in 2050.

Binnen Aandelen Ontwikkelde Markten wordt een CO2-reductie doelstelling van 30% meegegeven ten opzichte van de benchmark. In 2023 volgt de evaluatie van de CO2-reductiedoelstelling binnen aandelen. Eventuele aanpassing zal volgen in 2023.

• Percentage green bonds
Minimale allocatie naar duurzame beleggingen (green bonds).

• Uitsluitingsbeleid
De volgende investeringen zijn uitgesloten:

Uitsluitingen landen (categorieën) Uitsluitingen ondernemingen (categorieën)
Landen waar machthebbers op systematische wijze de fundamentele mensenrechten op grove wijze schenden (Sanctiewet 1977 biedt belangrijk handvat hiervoor) Ondernemingen die controversiële wapens produceren*
Landen waar het non-proliferatieverdrag wordt geschonden (Sanctiewet 1977 biedt belangrijk handvat hiervoor) Ondernemingen die met hun gedrag structureel de normen van de VN Global Compact, OESO-richtlijnen en de VN Guiding Principles on Business and Human Rights schenden, zoals mensenrechten, arbeidsnormen, milieu- en anti-corruptie
Landen met slechte prestaties op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten en corruptie volgens de Freedom in the World index, de ITUC Global Rights index en de Corruption Perception Index Producenten van tabaksproducten
  Ondernemingen die omzet behalen uit de winning en/of elektriciteitsopwekking van fossiele brandstoffen zoals beschreven in het MVB-beleid
  Bedrijven in die landen waar het uitgesloten land een meerderheidsbelang heeft zoals beschreven in het MVB-beleid

* In de praktijk gaat het om de volgende wapens: 1. Nucleaire wapens, 2. Biologische wapens, 3. Chemische wapens, 4. Antipersoonsmijnen, 5. Clustermunitie.

Het Pensioenfonds heeft de beleggingsovertuigingen geformuleerd, die het uitgangspunt zijn voor de beleggingsstrategie. Deze zijn terug te vinden in de Investment Beliefs op de website. Hierbij wordt rekening gehouden met de ecologische en sociale kenmerken (zie hiervoor). Daarnaast heeft het Pensioenfonds de volgende MVB-overtuigingen geformuleerd:

1. Wij vinden het belangrijk om er actief voor te zorgen dat onze beleggingsportefeuille zoveel mogelijk gevrijwaard is van maatschappelijk onwenselijke activiteiten volgens ons MVB-beleid. SPF streeft ernaar om over een steeds groter gedeelte van de portefeuille een verantwoord beleggingsbeleid te voeren.

2. Bij de vormgeving en doorontwikkeling van het MVB-beleid zal SPF het risico-rendement perspectief van beleggingen in combinatie met het maken van sociale- of milieu-afwegingen als belangrijke drijfveren meenemen. Deze drijfveren zijn bepaald vanuit het perspectief van de fysiotherapeut als deelnemer.

3. Bij toepassing/uitbreiding van het MVB-beleid nemen wij het kostenaspect ervan te allen tijde in overweging. Wij zullen bij het inzetten van MVB-instrumenten & oplossingen altijd meewegen of de kosten in verhouding staan tot de reikwijdte en het effect op de beleggingsportefeuille.

4. Met als doel bij te dragen aan een toekomstige leefbare wereld richt SPF haar beleggingsbeleid maatschappelijk verantwoord in, waarbij verder wordt gekeken dan wettelijke vereisten en aansluiting wordt gezocht bij de uitgangspunten zoals die door de OESO en Verenigde Naties zijn geformuleerd.

Onze MVB-overtuigingen zijn ook opgenomen in ons MVB-beleid (pdf).

De Pensioenregeling hanteert een beleid in lijn met de SFDR-wetgeving om te zorgen dat wordt belegd in ondernemingen die voldoen aan de praktijken van goed bestuur (‘good governance’). Ondernemingen die zeer slecht presteren op het gebied van goed bestuur worden op voorhand uitgesloten. Daarbij wordt minimaal gekeken naar wettelijke vereisten op het gebied van:

• goede managementstructuren

• betrekkingen met werknemers

• beloning van het betrokken personeel

• naleving van de belastingwetgeving

Hier bovenop wordt, zowel vóór als na het aankopen van beleggingen, het MVB-beleid toegepast. Bij het bepalen of ondernemingen goed presteren op het gebied van goed bestuur, wordt gebruik gemaakt van ESG-data van derden. Als een onderneming waarin wordt belegd na verloop van tijd niet goed presteert, dan wordt deze onderneming alsnog uitgesloten volgens het gestandaardiseerde uitsluitingsproces.

Het beoordelingsbeleid voor praktijken op het gebied van goed bestuur van de ondernemingen waarin is belegd is per Q4 2022 door het Pensioenfonds aangenomen en zal in de loop van Q1 2023 in de gehele portefeuille worden geïmplementeerd conform het bestaande uitsluitingsproces.

Minimaal 41,45% van de beleggingen zal behoren tot de categorie #1 In lijn met E/S-kenmerken. Maximaal 58,55% van de beleggingen zal in de categorie #2 Overig vallen en bestaat uit onder andere fondsen, cash en geldmarktinstrumenten*. De #1-beleggingen houden geen rekening met de EU-taxonomiecriteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten (Categorie #1A).

*Binnen de categorie #2 zijn er wel duurzaamheidscriteria opgenomen, echter we tellen deze (nog) niet mee als beleggingen met een ecologisch of sociaal kenmerk. Het beleid wijkt af van het duurzaamheidsbeleid van het pensioenfonds of we kunnen deze kenmerken nog niet als zodanig meten en daarover rapporteren op pensioenregeling niveau (veelal het geval bij fondsen).

Stroomschema DZ 5 Duurzaamheidsinformatie

#1 Afgestemd op E/S-kenmerken omvat de beleggingen van het gebruikt financiële product om te voldoen aan de ecologische of sociale kenmerken die het financiële product promoot.
#2 Overige omvat de overige beleggingen van het financiële product die niet zijn afgestemd op de ecologische of sociale kenmerken en die evenmin als duurzame belegging kwalificeren.

De categorie #1 Afgestemd op E/S-kenmerken omvat:
• De sub-categorie #1A Duurzaam omvat duurzame beleggingen met ecologische of sociale doelstellingen.
• De sub-categorie #1B Overige E/S-kenmerken omvat beleggingen die zijn afgestemd op de ecologische of sociale kenmerken die niet als duurzame belegging kwalificeren.

Om te bepalen of deze Pensioenregeling voldoet aan de ecologische of sociale kenmerken, wordt gekeken naar de volgende duurzaamheidsindicatoren:

• ESG-profiel
Dit geeft aan hoe ondernemingen scoren op de verschillende aspecten van Ecologisch, Sociaal en Governance. Bij een herbalancering zal de portefeuille een betere score hebben dan die van de benchmark.

• CO2-voetafdruk
De CO2-voetafdruk laat de door de portefeuille gefinancierde broeikasgasemissies zien. Om deze CO2-voetafdruk te bepalen, wordt eerst van elke onderneming in de portefeuille de totale uitstoot van broeikasgassen per jaar berekend. Er wordt daarbij zowel gekeken naar de uitstoot die de onderneming zelf veroorzaakt door bedrijfsactiviteiten (scope 1 volgens het Greenhouse Gas Protocol), als naar de uitstoot die samenhangt met de productie van energie die de onderneming inkoopt (scope 2 volgens het Greenhouse Gas Protocol). Dit wordt gedeeld door de ondernemingswaarde inclusief contanten (EVIC). De uitkomst hiervan geeft weer hoeveel broeikasgassen een onderneming uitstoot voor elke euro aan financiering. Om tot de CO2-voetafdruk van de hele portefeuille te komen, wordt het gewogen gemiddelde van de CO2-voetafdrukken berekend van alle ondernemingen waarin wordt belegd. De ondernemingen waarin veel wordt belegd wegen dus zwaarder mee.

• Uitsluitingsbeleid
Deze indicator wordt uitgedrukt door middel van het percentage uitgesloten ondernemingen van de beleggingsportefeuille gebaseerd op het uitsluitingsbeleid van het Pensioenfonds.

• Percentage Green Bonds
De Vermogensbeheerder gebruikt haar eigen onafhankelijke raamwerk om te beoordelen of green bonds voldoen aan de definitie van ‘duurzame beleggingen’ volgens de SFDR en de kwaliteits-en duurzaamheidscriteria van de Vermogensbeheerder. Dit raamwerk is gebaseerd op de Green Bond Principles van de International Capital Market Association en de taxonomie van het Climate Bonds Initiative.

De ecologische of sociale kenmerken die door de Pensioenregeling worden gepromoot worden inzichtelijk gemaakt via duurzaamheidsindicatoren. Deze duurzaamheidsindicatoren worden gedurende de levensduur van de Pensioenregeling gemonitord en jaarlijks gerapporteerd door de ESG-dienstverlener. Dit wordt gerapporteerd in annex 4 in de SFDR level 2-rapportage. Op dit rapportageproces zijn kwaliteitsstandaarden en beheersmaatregelen in de vorm van een gegevensleveringsovereenkomst met de dataproviders van toepassing, waarmee data- en plausibiliteitscontroles geborgd zijn.

De volgende methodologieën worden gebruikt om te meten hoe de door de Pensioenregeling gepromote ecologische of sociale kenmerken worden behaald:

Uitsluitingen

Controversiële wapens
Het onafhankelijke onderzoeksbureau ISS ESG stelt ieder halfjaar vast welke ondernemingen betrokken zijn bij de productie van controversiële wapens. Daartoe bekijkt het onderzoeksbureau het gehele beleggingsuniversum. Wanneer het onderzoeksbureau betrokkenheid vaststelt, leidt dit tot uitsluiting. De criteria voor uitsluiting zijn te vinden in ons MVB-beleid (pdf).

Tabaksproducenten
Betrokkenheid van individuele bedrijven wordt vastgesteld aan de hand van omzet gegenereerd uit de productie en distributie van tabaksgoederen. Deze omzetgegevens zijn afkomstig van de externe en onafhankelijke dataleverancier ISS ESG. Een bedrijf wordt uitgesloten indien de tabaksgoederen gerelateerde omzet >50% is. Tweemaal per jaar is er een toetsing op het beleggingsuniversum op dit criterium, op basis waarvan kan worden besloten tot uitsluiting.

Steenkolen, teerzanden, schaliegas en -olie, Arctisch gas en -olie
Aan de hand van MSCI ESG-data stelt de ESG-dienstverlener vast of ondernemingen op basis van omzetcijfers een blootstelling van meer dan 5% hebben naar thermisch steenkool, teerzanden, schalieolie- en gas en Arctische olie- en gas. Deze ondernemingen worden uitgesloten. Tweemaal per jaar is er een toetsing op het beleggingsuniversum op dit criterium, op basis waarvan kan worden besloten tot uitsluiting.

Het steenkoolbeleid is gericht op het delven en het gebruik van thermisch steenkool (inclusief bruinkool, bitumen, antraciet en stoomkolen). Ondernemingen worden uitgesloten van beleggingen als:

a. De omzet van een onderneming voor meer dan 5% afkomstig is uit aan steenkool gerelateerde activiteiten. De winning van thermische steenkool (inclusief bruinkool, bitumineuze, antraciet en stoomkolen) en de verkoop ervan aan externe partijen zijn relevant bij het bepalen van de aan steenkool gerelateerde omzet. Inkomsten uit kolenhandel worden vanwege databeperkingen vooralsnog niet meegenomen in deze berekening.

b. De omzet van een onderneming voor meer dan 5% afkomstig is van elektriciteitsopwekking uit thermische steenkool (inclusief bruinkool, bitumineuze, antraciet en stoomkolen).

Normschenders
Aan de hand van ISS ESG-data bepaalt de ESG-dienstverlener of er betrokkenheid is bij activiteiten en/of gebeurtenissen die in strijd zijn met internationale normen, zoals de UN Global Compact, OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Daartoe bekijkt het onderzoeksbureau ISS ESG het gehele beleggingsuniversum.

Bij een onderneming met een beoordeling ‘Rood’ door ISS ESG bepaalt de ESG-dienstverlener of deze op de uitsluitingslijst of op de watchlist wordt geplaatst:

• Op de watchlist staan ondernemingen die in de eerste twee jaar van de rode beoordeling een commitment hebben gedaan of maatregelen hebben genomen om de schending op te lossen. De mate van herstel en verhaal en het verloop van de engagement wordt meegewogen in het oordeel.

• Als er na twee jaar geen verandering is in de rode beoordeling, wordt de onderneming op de uitsluitingslijst geplaatst. Wel bestaat de mogelijkheid om op basis van een kwalitatieve beoordeling, feiten en omstandigheden of discretionaire ruimte een onderneming op de watchlist te laten staan. De ESG-dienstverlener beoordeelt alle cases aan de hand van analyses voor het uitsluiten van ondernemingen.

• De uitsluitingslijst bestaat uit ondernemingen die al langer dan twee jaar een rode beoordeling hebben en ondernemingen die in de eerste twee jaar van de beoordeling nog geen maatregelen hebben genomen om de schending op te lossen.

Jaarlijks toetst de ESG-dienstverlener het beleggingsuniversum op dit criterium.

Landenuitsluitingen
Staatsobligaties van landen worden uitgesloten van beleggingen, wanneer in deze landen structureel internationale conventies en verdragen niet nageleefd worden. Voor het landenbeleid worden onderstaande conventies en verdragen in acht genomen:

• De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (mensenrechten).

• Fundamentele Principes en Rechten op het Werk (arbeidsnormen).

• Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (anti-corruptie).

Databronnen
De onderzoeksresultaten uit de indices van de volgende instituten zijn relevant en bruikbaar bevonden om te bepalen in welke mate de conventies en verdragen in de individuele landen nageleefd worden:

a. Freedom House met de Freedom in the World index ten aanzien van mensenrechten.

b. ITUC met de ITUC Global Rights index ten aanzien van arbeidsnormen.

c. Transparency International met de Corruption Perception index ten aanzien van anti-corruptie.

Normering
Voor het landenbeleid worden minimumeisen gesteld aan de prestaties op de bovengenoemde indices. Als normering geldt:

a. De vrijheid-rating in de Freedom in the World index dient 'Not Free’ (gemiddelde van Political Rights en Civil Liberties score 7) te zijn.

b. De ITUC rating in de ITUC Global Rights index dient 5+ (No guarantee of rights due to the breakdown of the law) te zijn.

c. De CPI-score in de Corruption Perception index dient <19 te="">

Implementatie
Als een land op één van de drie indices niet voldoet aan de normering komt het land in aanmerking voor uitsluiting. Hiertoe bepaalt de ESG-dienstverlener jaarlijks aan het eind van het jaar de prestaties van de individuele landen op bovengenoemde indices.

Als de prestatie van een land niet voldoet aan de normering wordt dit land toegevoegd aan of gehandhaafd op de lijst van uitgesloten landen. Posities in dit land worden binnen een redelijke termijn verkocht. Indien de prestatie van een land wel weer voldoet aan de normering wordt het land verwijderd van de lijst van uitgesloten landen. Posities in dit land mogen dan weer opgebouwd worden.

Bedrijven in die landen waar het uitgesloten land een meerderheidsbelang heeft
In aansluiting op het landenbeleid kiest de Pensioenregeling ervoor om niet te beleggen in bedrijven in die landen waar het uitgesloten land een meerderheidsbelang heeft zoals beschreven in het MVB-beleid. Aan de hand van data van MSCI ESG-data bepaalt de ESG-dienstverlener in welke bedrijven het uitgesloten land een belang heeft van 50% of meer. Deze bedrijven worden uitgesloten.

ESG-integratie

Het meenemen van ESG-informatie in het beleggingsproces wordt ook wel ESG-integratie genoemd. Het meenemen van ESG-informatie is hierin een structureel onderdeel. Hiervoor maakt de ESG-dienstverlener gebruik van MSCI ESG-data. De ESG-data heeft effect op de samenstelling van de portefeuille.

We gebruiken de volgende maatstaven van MSCI ESG data:

• ESG-profiel (ESG-rating)
Dit geeft aan hoe ondernemingen scoren op ecologische, sociale en governance criteria.

• CO2-voetafdruk (CO2 / EVIC)
De CO2-voetafdruk laat de door de portefeuille gefinancierde broeikasgasemissies zien. Om deze CO2-voetafdruk te bepalen, wordt eerst van elke onderneming in de portefeuille de totale uitstoot van broeikasgassen per jaar berekend. Er wordt daarbij zowel gekeken naar de uitstoot die de onderneming zelf veroorzaakt door bedrijfsactiviteiten (scope 1 volgens het Greenhouse Gas Protocol), als naar de uitstoot die samenhangt met de productie van energie die de onderneming inkoopt (scope 2 volgens het Greenhouse Gas Protocol). Dit wordt gedeeld door de ondernemingswaarde inclusief contanten (EVIC) in datzelfde jaar. De uitkomst hiervan geeft weer hoeveel broeikasgassen een onderneming uitstoot voor elke euro aan financiering. Om tot de CO2-voetafdruk van de hele portefeuille te komen, wordt het gewogen gemiddelde van de CO2-voetafdrukken berekend van alle ondernemingen waarin wordt belegd. De ondernemingen waarin veel wordt belegd wegen dus zwaarder mee. Ondernemingen waarvan de data ontbreekt, krijgen effectief het portefeuille gemiddelde toegewezen.

Doelinvesteringen

Green Bonds
De Pensioenregeling gebruikt een eigen onafhankelijk raamwerk om vast te stellen dat de opbrengsten van green bonds ook daadwerkelijk worden aangewend voor groene projecten. Dit raamwerk is geënt op de internationale richtlijnen Green Bond Principles en de Climate Bonds taxonomie van het Climate Bonds Initiative. De Green Bond Principles zien toe op het proces waarmee green bonds naar de markt worden gebracht en omvatten:

• Principes rondom het gebruik van het opgehaald kapitaal.

• Principes rondom het proces van projectbeoordeling en -selectie.

• Principes rondom het beheer van opgehaald kapitaal.

• Principes rondom verslaglegging.

In de beoordeling besteedt de ESG-dienstverlener expliciet aandacht aan de mate waarin een green bond past in de algemene strategie van de uitgevende instelling. De taxonomie van het Climate Bonds Initiative dient als kader bij het beoordelen van gefinancierde projecten en moet bijdragen aan het vertrouwen dat de met de opbrengsten gefinancierde projecten een aantoonbaar positief effect op het milieu of klimaat hebben.

De Pensioenregeling gebruikt een mix van interne en externe gegevens als input voor onze duurzame beleggingsprocessen. De voorkeur gaat uit naar gestandaardiseerde gegevens waar mogelijk, zoals gegevens van onafhankelijke onderzoeksbureaus ISS en MSCI. De ESG-dienstverlener voert voorafgaand onderzoek uit naar alle potentiële dataproviders om vast te stellen of de data (I) geschikt zijn voor het doel waarvoor de data zal worden gebruikt, (II) overeenkomen met het beleggingsuniversum en (III) van voldoende kwaliteit zijn.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de gebruikte databronnen per MVB-instrument.

MVB-instrument Onderwerp Databron
Uitsluitingen Good Governance MSCI ESG
  Controversiële wapens ISS ESG
  Tabaksproducenten ISS ESG
  Steenkolen, teerzanden, schaliegas en -olie, Arctisch gas en -olie MSCI ESG

  Normschenders ISS ESG
  Landen

Freedom in the World index van Freedom House, ITUC Global Rights index, Corruption Perception index van Transparency International
  Staatsbedrijven MSCI ESG
ESG-integratie CO2-reductie (CO2 / EVIC) MSCI ESG/Factset
  ESG-rating MSCI ESG
Doelinvesteringen Green bonds Achmea IM beoordelingsraamwerk voor green bonds

Kwaliteit en verwerking van de gegevens
De gegevens van de geselecteerde externe onafhankelijke onderzoeksbureaus (dataproviders) zijn in de meeste gevallen leidend bij het toepassen van het uitsluitingsbeleid en de ESG-integratie.

Onze ESG-dienstverlener onderzoekt de gegevenskwaliteit van elke dataprovider tijdens de due diligence beoordelingen in het selectieproces van de dataprovider. Dit omvat activiteiten zoals het beoordelen van het datamodel, statistische controles en beoordelen van de dekking van de gegevens op de benchmarks en portefeuilles. Waar relevant wordt de impact van verschillende gegevensbronnen op onze beleggingsbeslissingen ex ante getoetst. Via deze stappen streeft de Pensioenregeling naar een voldoende mate van vertrouwen in de gekozen gegevens en dataproviders.

Onze ESG-dienstverlener voeren doorlopend steekproefsgewijze controles van gegevens uit. Bijzondere constateringen worden besproken met de relevante dataprovider. Dit kan leiden tot ad hoc aanpassingen van externe gegevens of tot structurele aanpassingen in het gebruik van gegevens. Het overschrijven van gegevens en/of het hanteren van alternatieve gegevens wordt onderbouwd gedocumenteerd. Periodiek vindt er een uitgebreidere evaluatie plaats van de geselecteerde dataproviders en geselecteerde gegevens. Deze evaluatie kan leiden tot het beëindigen van de samenwerking met een dataprovider dan wel tot de selectie van een andere dataprovider.

Waar mogelijk worden de gegevens geautomatiseerd in het administratiesysteem ingelezen via een API (een datalink tussen de dataprovider en onze systemen) en via het administratiesysteem gebruikt voor beleggingsprocessen en rapportagedoeleinden. Voor enkele beleggingsprocessen vindt toegang tot de gegevens plaats via platforms van derde partijen. De gegevens voor de uitsluitingsprocessen wordt verwerkt in een database en via automatisch gegenereerde Excel templates gedeeld met de vermogensbeheerders.

De gegevensbronnen die gebruikt worden om milieu- of sociale kenmerken te promoten zijn in de basis, met uitzondering van CO2-data, kwalitatief van aard. Beschikbare gegevensbronnen worden door de ESG-dienstverlener gecategoriseerd, geordend en gelabeld en omgezet in numeriek waardes ten behoeve van beschrijvende analyses en waardeoordelen. Daarmee is deze data in aanleg gemodelleerd. De ESG-dienstverlener maakt zelf geen schattingen in de data, maar koopt data in. Als er geen data beschikbaar is, is er geen grond voor acties.

De mate waarin gerapporteerde CO2-data beschikbaar is verschilt per beleggingscategorie en de reikwijdte van de CO2-data (in termen van scopes zoals gedefinieerd in het GHG Protocol). Voor aandelen ontwikkelde markten is het percentage ondernemingen dat zowel scope 1 en scope 2 CO2-data publiceren en waarbij deze data voldoet aan kwaliteitseisen vanuit het Carbon Disclosure Protocol relatief hoog. Indien de scope 3 data toegevoegd wordt dan is het percentage ondernemingen dat over alle 15 scope 3 subcategorieën rapporteert laag. Dit is het gevolg van een gebrek aan beschikbare scope 3 data. Zodra ondernemingen hun scope 3 emissies gaan rapporteren, komt deze data beschikbaar via de ESG-dataprovider. CO2-databeschikbaarheid en -kwaliteit is beduidend lager voor overige beleggingscategorieën en regio’s.

Er zitten enkele beperkingen aan de gehanteerde methodologie en gegevens. De belangrijkste beperkingen laten zich omschrijven als:

Beperkingen aan de gegevens voor uitsluitingen gericht op producten (steenkolen, tabak, controversiële wapens)
Voor de uitsluitingen gericht op producten vertrouwt de ESG-dienstverlener op het externe oordeel van de geselecteerde dataprovider. De dataprovider hanteert bij het opstellen van een oordeel ten aanzien van een onderneming zowel bronnen afkomstig van de onderneming in kwestie als bronnen vanuit publiek beschikbare documenten. Deze kunnen afkomstig zijn van maatschappelijke organisaties, wetenschappelijke publicaties, brancheorganisaties, intergouvernementele organisaties, (lokale) overheden, et cetera. Op basis van de beschikbare bronnen maakt de externe dataprovider een gefundeerde inschatting of en in welke mate een onderneming betrokken is bij een product waar een uitsluitingsbeleid voor van kracht is.

Beperkingen aan de gegevens voor uitsluitingen gericht op normschendingen
Voor de uitsluitingen van normschenders wordt in eerste instantie vertrouwd op het externe oordeel van de geselecteerde dataprovider. Er zijn echter geen scherp gedefinieerde criteria die vaststellen of specifiek gedrag ook werkelijk een normschending is. Dit blijft een kwalitatief waardeoordeel. Geconstateerde gedragingen die op gespannen voet staan met ons normenkader moeten goed gedocumenteerd worden en op een adequate en eenduidige wijze beoordeeld worden. Op die manier beoordeelt de ESG-dienstverlener alle schendingen op dezelfde wijze. Een casus wordt op basis van het door de externe dienstverlener samengestelde dossier besproken in relevante gremia voordat er tot uitsluiting wordt overgegaan.

Beperkingen aan CO2-gegevens
Een effectieve CO2-voetafdrukmeting vereist een gedetailleerd begrip van de uitstoot van broeikasgassen van de beleggingen in portefeuille. We kwalificeren de datakwaliteit van CO2-gegevens als hoog voor de beleggingen in zowel ontwikkelde als opkomende markten, op basis van de Platform for Carbon Accounting Financials (PCAF)-scoretabel. Voor alle posities is het uitstaande bedrag in het bedrijf bekend. Ook zijn geverifieerde uitstootgegevens van eigen activiteiten (scope 1) en elektriciteitsverbruik (scope 2), met behulp van het raamwerk van het Greenhouse Gas (GHG)-protocol, voor het grootste deel van de portefeuille beschikbaar. Waar emissiegegevens niet direct beschikbaar zijn, worden deze gemodelleerd door de ESG-gegevensaanbieder met behulp van verschillende methoden. Een andere beperking in het gebruik van de scope 1 en scope 2 CO2-gegevens is de vertraging waarmee de gerapporteerde CO2-gegevens beschikbaar komen bij beleggers. Een CO2-voetafdruk is daardoor per definitie ‘terugkijkend’.

De meeste bedrijven richten zich vooralsnog op het meten van de uitstoot van hun eigen activiteiten en elektriciteitsverbruik, met behulp van het scope 1- en scope 2-raamwerk van het GHG-protocol. Het beoordelen van broeikasgasemissies in de gehele waardeketen is complex. Het aantal ondernemingen dat werkelijk de broeikasgasemissies voor elk van de 15 categorieën van scope 3-emissies (zoals gekochte goederen en diensten, transport en distributie en gebruik van verkochte producten) inzichtelijk maakt is zeer beperkt. Meerdere onderzoeken tonen dat de huidig gehanteerde methodes voor het modelleren van scope 3 emissies nog tekortschieten. Wij hanteren daarom momenteel geen scope 3 data voor onze beleggingsbeslissingen.

Het uitbreiden van de reikwijdte van CO2-voetafdrukmetingen naar opkomende markten en minder liquide activaklassen leidt tot een lagere beschikbaarheid van geverifieerde emissies en minder nauwkeurig gemodelleerde emissies. Wat uiteindelijk leidt tot een lagere algehele datakwaliteit voor de gehele portefeuille. Daarom wordt dit vooralsnog niet toegepast.

Beperkingen aan ESG-ratings
De belangrijkste beperking is dat ESG-ratings in aanleg subjectief zijn en deels bepaald worden door een kwalitatief waardeoordeel vanuit een dataprovider. Er zijn geen ESG-materialiteitsmatrices voorhanden waar markt breed een overeenstemming over is bereikt. Een ESG-rating is in belangrijke mate dus afhankelijk van het relatieve belang dat de dataprovider hecht aan verschillende attributen - de ene dataprovider hecht bijvoorbeeld meer belang aan broeikasgasemissies dan aan arbeidspraktijken dan een andere dataprovider - wat leidt tot subjectiviteit in de ESG-rating. Daarnaast leidt inconsistentie in de onderliggende onbewerkte gegevens vanuit de ondernemingen ertoe dat ondernemingen onderling niet op dezelfde voet vergeleken kunnen worden. Dit kan resulteren in verschillende beoordelingen voor gelijkwaardige ondernemingen in een sector.

Aanvullende tekortkomingen zijn een gebrek aan dekking van een specifieke sector of een type entiteit, met name in specifieke vastrentende waarden portefeuilles, onvoldoende gedetailleerdheid van gegevens en een gebrek aan transparantie over de methodologieën die zijn gebruikt voor specifieke elementen van de ESG-rating. Zowel in het due diligence proces voor dataproviders als in de keuze voor het wel of niet baseren van beleggingsbeslissingen op deze ESG-ratings, houdt de ESG-dienstverlener rekening met deze beperkingen.

Onze beleggingen doorlopen periodiek een due diligence cyclus om de daadwerkelijke en mogelijke negatieve impact van de beleggingen op duurzaamheidsfactoren te identificeren, te voorkomen en te verminderen en om verantwoording af te leggen over hoe de Pensioenregeling omgaat met de geïdentificeerde risico’s. Deze due diligence is er dus op gericht om de belangrijkste ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren te identificeren, prioriteren en analyseren. In het MVB-beleid (pdf) worden de verschillende stappen van het due diligence proces nader toegelicht. Daarbij het model en de terminologie van het Instrumentarium van het Convenant Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen Pensioenregelingen.

De ESG-dienstverlener gaat in gesprek met ondernemingen waarin het belegt (engagement). Daarnaast maakt de Pensioenregeling actief gebruik van haar aandeelhoudersrechten om langetermijnwaardecreatie te bevorderen bij de ondernemingen waarin de Pensioenregeling namens beleggingsinstellingen / klanten beleggen (stemmen). Daarbij besteedt de ESG-dienstverlener aandacht aan de strategie, duurzaamheid en corporate governance van ondernemingen. De Pensioenregeling heeft een soort engagement, namelijk: Normatieve engagement. Het doel van het Normatieve engagementprogramma is structurele schendingen van internationale normen te stoppen of te voorkomen. Als een onderneming meer dan twee jaar als structurele normschender aangemerkt wordt, kan besloten worden tot uitsluiting. In het MVB-beleid op de website staat meer informatie over het engagementbeleid. U leest hier ook ons stembeleid (pdf).

Op het niveau van de pensioenregeling gebruikt de Pensioenregeling geen alomvattende referentie benchmark. Deze rubriek is daardoor niet van toepassing op de Pensioenregeling.

Documenten duurzaamheidsinformatie (SFDR)